Bob en Geike

Christophe Vekeman
zaterdag 29 mei 2021 om 3.25 uur
Bob en Geike - Artwork door Gentyl

Over deze prent:
Deze prent is geïnspireerd door de iconische albumhoes van Bob Dylan's "Desolation Row". Net zoals de column verwijst naar Dylan en muziek, creëerde ik een visuele knipoog naar dit meesterwerk...

Desolation Row - Bob Dylan (origineel)

Bob Dylan - Desolation Row (originele albumhoes)

Zoals ook de braafste burger al eens met een kopje durft te gooien wanneer het hem allemaal boven het hoofd groeit, en zoals zelfs de devootste kloosterling de Heer in een reflex vervloekt als hij zijn teen aan de tafelpoot stoot, zo grijpen de saaie sufferds onder ons, de nooit geïnspireerden en verbeeldingskrachtelozen, consequent naar Bob Dylan als zij zich interessant willen maken. Dan slaan ze Facebook open, bijvoorbeeld, en kalken daar ondeugend giechelend, met hoog schokkende schouders en een handje voor hun mond, allerlei zinnen op de muur waarin onveranderlijk – want beperktheid van geest en woordarmoede gaan nu eenmaal steevast samen – de scheldterm 'neuzelaar' voorkomt. En al heeft het vanzelfsprekend geen enkel nut om aandachtzoekers op hun wenken te bedienen en hun dus daadwerkelijk aandacht te geven, toch wil ik de gelegenheid van Dylans tachtigste verjaardag op mijn beurt te baat nemen om fijntjes op het volgende te wijzen: de – dixit Leonard Cohen – 'Picasso of song' is een van de bijzonder zeldzame Nobelprijswinnaars Literatuur in de geschiedenis voor wie het eerbewijs in kwestie geen kroon op het werk betekende, en geen hoogtepunt in hun carrière, maar slechts een voetnootgroot detail in leven en loopbaan. Ik kan me natuurlijk vergissen, maar volgens mij zou het kunnen dat dat iets wil zeggen.

Ziezo, en nu ga ik het hebben over iets helemaal anders, om het zacht uit te drukken, want in de wondere wereld van de muziek wonen Dylan en het genaamde Hooverphonic bepaald niet om elkanders hoek, daarover kunnen wij het roerend en gevoeglijk eens zijn. Sterker nog, tot voor een week zou ik het zonder twijfel aldus hebben uitgedrukt: zo Dylan inderdaad Picasso wezen zou, Callier en co. zouden niet meer zijn dan een stel vervaardigers van waterverfkunst die zó prima bij het behang past dat zij er dikwijls amper nog van valt te onderscheiden. Ik liep nooit hoog op met Hooverphonic, wil ik maar zeggen, en al is het nu ook weer niet zo dat Alex Callier mij evenzeer de vliegende kriebels over de rug pleegt te jagen als veel andere Vlaamse beroemdheden, toch word ik eerder zelden door het verlangen geplaagd hem een pak beter te leren kennen. Desalniettemin keek ik afgelopen zaterdag naar de finale van het Eurovisiesongfestival.

Het was vele jaren geleden dat ik zulks nog eens gedaan had, moet ik zeggen, wat wellicht deels toeval was, maar deels ook zal te maken hebben met het feit dat ik niet goed tegen het sfeertje kan dat telkens gecreëerd wordt als, met name in de pers en op sociale media, betreffend festival ter sprake komt. Dat sfeertje van platvloerse, obstinate ironie, bedoel ik, waarmee telkens weer benadrukt wordt dat het Songfestival dient te worden genoten in halfdronken vriendenkring, met spotzucht in de blik, en zonder ook maar één noot die het oor bereikt ernstig te nemen. Het Songfestival is de hoogmis van alles wat muzikaal, vestimentair en choreografisch gesproken zoal fout kan lopen in de wereld, zogezegd, en dus dé gelegenheid bij uitstek om als doordeweekse weldenker 'je verstand op nul te zetten' en je naar hartenlust te verlekkeren aan andermans ongelooflijke wansmaak.

Flauwer kan het niet, kortom. Een geboren zondaar, maniakale katjesknijper en stiekeme gluiperd als ik heeft echt wel andere guilty pleasures dan naar het Songfestival te zitten gluren, geloof me, en trouwens, als ik al de onbedwingbare behoefte bij mezelf zou gewaarworden om met mijn medemens te lachen en mij superieur te wanen, dan keek ik wel wat vaker naar De afspraak.

Doch dit jaar was ik als gezegd weer eens van de partij, en ik ging voor het toestel zitten en hoorde bijgevolg andermaal de inzending van België, het prototype van een lied om je niet druk over te maken. Maar er gebeurde nog iets anders ook, dat een pak belangwekkender was: ik zag Geike Arnaert, en ik werd plots plaatsvervangend nerveus. Ze zag er namelijk zo, ach, ik weet het niet. Ze zag er zo dápper uit, vond ik. Ontroerend dapper. Dapper als een kind, zeg maar. Het leek, verbaasd en wel, luidkeels te spreken uit al haar bewegingen, uit haar blik en zelfs uit haar stem: ik durf dit.

En inderdaad, zo dacht ik van de weeromstuit, je moet er maar staan. Je moet het maar doen, voor het oog van de wereld, in je gelegenheidsjurk en met laarzen aan die op de een of andere manier de indruk wekten, geen idee waarom, dat ze net een maat te groot of anders juist te klein waren. Je moet het maar durven. Doen alsof je een ster bent. Als mens.

En zo zat ik daar te kijken, vol bewondering, supportersentimenten en je reinste sympathie voor een vrouw en bij uitbreiding een band die mij gewoonlijk maar heel matig weten te bekoren.

Dat had zelfs Dylan nog nooit voor elkaar gekregen.

Christophe Vekeman is auteur. In deze rubriek wikt hij de wereld.
Verschenen op zaterdag 29 mei 2021